|
HAKKELAAR PERS-EXEMPLAAR arrestnummer : 117/98 rolnummer : 23-000445-97 datum uitspraak: 30 januari 1998 tegenspraak Gerechtshof te Amsterdam ARREST gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 7 februari 1997 in de strafzaak onder parketnummer 13/129096-95 van HET OPENBAAR MINISTERIE, tegen Johan V. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terecht- zittingen in eerste aanleg van 22 en 23 april 1996, 12 juli 1996, 9 en 10 oktober 1996, 3, 4, 5, 6, 9, 10, 11, 12, 17, 18, 19 en 20 december 1996 en 6, 7, 8, 10, 13, 14, 15, 16, 17, 20, 23 en 24 januari 1997 en die in hoger beroep van 20 en 27 juni 1997, 8, 10, 12, 16, 18 en 30 september 1997, 6, 8, 10, 16, 20, 22 en 24 oktober 1997, 7 november 1997, 5, 29 en 30 december 1997 en 16 januari 1998. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen staat vermeld in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg van 3 december 1996 op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de eerste rechter. Bespreking van gevoerde verweren 1. Inleiding. 1.1. Bij de behandeling van deze strafzaak, zowel op de terechtzittingen in eerste aanleg als in hoger beroep, hebben de verklaringen van de getuigen Karman en Abbas centraal gestaan. Met Karman en met Abbas heeft het openbaar ministerie een overeenkomst gesloten teneinde van hen verklaringen te verkrijgen tegen de verdachte. 1.2. Door de verdediging is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn strafvervolging, dan wel dat de verklaringen van Karman en Abbas niet kunnen of mogen worden gebezigd ten bewijze van de tenlastegelegde feiten. 1.3. Achtereenvolgens komen aan de orde: 2. Feitelijke gang van zaken in verband met de overeenkomsten. 3. Beoordeling van de overeenkomsten in het algemeen. 4. Recht op een eerlijke behandeling. 5. Belang van een integer strafproces. 6. Belang van een behoorlijke vervolgingsbeslissing. 7. Bruikbaarheid van de verklaringen voor het bewijs. 2. Feitelijke gang van zaken in verband met de overeenkomsten. 2.1. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken van het dossier is in verband met de overeenkomst met Karman en in verband met de overeenkomst met Abbas - kort samengevat - de volgende gang van zaken aannemelijk geworden. 2.2.1. Sinds 1991 werd onderzoek gedaan naar een criminele organisatie die zich vanaf midden van de jaren tachtig bezig hield met het op grote schaal per schip vervoeren van hasj vanuit Pakistan naar Nederland en Canada (het Kolibrie-onderzoek). Medio 1995 was de stand van zaken deze, dat bewijs was verzameld waaruit kon blijken dat er een aantal transporten was geweest, te weten: a. in 1988 met de Aquarius/Moana B ongeveer 20 ton hasj, die in Nederland is ingevoerd; b. in 1989 met de Lukas ongeveer 60 ton hasj, waarvan circa de helft in Nederland en de helft in Canada is ingevoerd; c. in 1990 met de Coral Sea twee transporten, één naar Canada en één naar Nederland, telkens van ongeveer 20 ton hasj; d. in 1991 met de Pacific Tide 3/Giant 4 ongeveer 120 ton hasj, waarvan 50 ton in Canada is ingevoerd en inbeslaggenomen, ongeveer 20 ton is inbeslaggenomen bij de Azoren en het restant niet is teruggevonden. Blijkens het dossier werd redelijkerwijze vermoed dat voor meer van deze transporten verantwoordelijk was een criminele organisatie die werd geleid door Johan V., die daarin samenwerkte met anderen, onder wie Koos R. Daarbij zouden andere personen, onder wie Cees H., feitelijk transporten (mede) hebben georganiseerd. 2.2.2. In juni 1993 was Karman op grond van een veroordeling door de Franse rechter gedetineerd in Parijs. In Nederland liep toen een gerechtelijk vooronderzoek (GVO) tegen Karman ter zake van vervoer van hashish met de Pacific Tide 3, welk GVO op 21 mei 1992 was geopend. In verband met dat onderzoek hebben ambtenaren van de FIOD Karman op 10 juni 1993 in Parijs gehoord. Hij heeft toen een summiere verklaring afgelegd. Bij die gelegenheid heeft hij als een van de andere betrokkenen H. genoemd. Op 18 juni 1993 heeft Karman in Parijs in het kader van een GVO tegen H. een verklaring afgelegd over de gang van zaken met betrekking tot de Pacific Tide 3. Hij heeft toen in verband met dit hasjtransport de namen van onder anderen H., K., De G., Johan V. en Koos R. genoemd. 2.2.3. Bij laatstvermelde gelegenheid heeft Karman laten weten bereid te zijn nadere verklaringen af te leggen, mits het openbaar ministerie ervoor zou zorgen dat hij, Karman, zou worden overgedragen aan Nederland. De officier van justitie mr. Valente heeft hem toen toegezegd, naar luid van de verklaring van Valente, zich daarvoor te zullen inspannen. Uiteindelijk is Karman op 10 juli 1995 in Nederland aangekomen. Hij is op 13 juli 1995 in voorlopige hechtenis genomen. Vanaf dat moment is hij begonnen met het afleggen van nadere verklaringen. 2.2.4. Karman werd, naast de verdenking van betrokkenheid bij de aan de verdachte tenlastegelegde feiten, ook verdacht van betrokkenheid bij een transport van hasj per schip van Marokko naar Engeland in 1992. 2.2.5. Op 14 augustus 1995 hebben de officieren van justitie, mrs. Teeven en Witteveen, een schriftelijke overeenkomst met Karman gesloten. Ingevolge deze overeenkomst is hij verplicht verklaringen af te leggen omtrent zijn betrokkenheid en de betrokkenheid van anderen bij de aan de verdachte tenlastegelegde feiten, waarbij hij afstand doet van zijn zwijgrecht als verdachte en van zijn verschoningsrecht als getuige. Tijdens zijn verhoren dient hij telkens de waarheid en niets dan de waarheid te verklaren. Daartegenover heeft het openbaar ministerie aan Karman toegezegd: - dat hij niet verder feitelijk van zijn vrijheid zal worden beroofd, noch in het kader van een voorlopige hechtenis, noch in het kader van de tenuitvoerlegging van een eventueel door de rechter op te leggen gevangenisstraf; - dat hij niet (verder) zal worden vervolgd voor het transport van hasj van Marokko naar Engeland; - dat het openbaar ministerie passende maatregelen zal nemen, die de veiligheid en gezondheid van hemzelf en van zijn levensgezel(lin) zoveel mogelijk waarborgen (getuigenbeschermingsprogramma). Indien Karman zijn verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, behouden de officieren van justitie het recht voor de toezeggingen of de beschermingsregeling niet na te komen, terwijl zij wel het recht behouden zijn afgelegde verklaringen te gebruiken. 2.3.1. In het najaar van 1995 heeft Abbas via zijn advocaat contact gezocht met het openbaar ministerie. Hij bleek op de hoogte te zijn van het feit dat in Nederland een onderzoek tegen hem liep en liet weten bereid te zijn te verklaren, mits daar wat tegenover stond. 2.3.2. De verdenking tegen Abbas betrof betrokkenheid bij de feiten, die thans aan de verdachte zijn tenlastegelegd, en voorts bij twee andere transporten van hasj per schip (de Volendam in 1987 en de Willem Barentsz in 1988). Die betrokkenheid bestond onder meer in financiering van de hasjtransporten en het optreden als tussenpersoon tussen de Pakistaanse hasjleveranciers en de Nederlandse verdachten. 2.3.3. In december 1995 werd overeenstemming bereikt tussen de officieren van justitie, mrs. Teeven en Witteveen, en Abbas, hetgeen heeft geleid tot de schriftelijke overeenkomst van 24 april 1996. Ingevolge deze overeenkomst heeft Abbas zich verplicht naar waarheid te verklaren omtrent de betrokkenheid van hemzelf en anderen bij alle strafbare feiten die enige relatie hebben met het grondgebied van Nederland en in het kader van het Kolibrie-onderzoek worden onderzocht, waarbij hij afstand doet van zijn zwijgrecht als verdachte en van zijn verschoningsrecht als getuige. Voorts heeft Abbas zich verplicht tot betaling van een schikkingsbedrag van ¦ 1.800.000,-- aan het openbaar ministerie, te voldoen vóór 1 september 1997. Daartegenover heeft het openbaar ministerie Abbas toegezegd hem in Nederland niet te zullen vervolgen ter zake van de hierboven onder 2.3.2. vermelde strafbare feiten. De officieren van justitie zullen voorts de autoriteiten in andere landen op de hoogte stellen van het feit dat Abbas zijn medewerking aan het onderzoek heeft gegeven en van het feit dat hij voor die feiten in Nederland niet wordt vervolgd of zal worden vervolgd. Indien Abbas zijn verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, behouden de officieren van justitie zich het recht voor hun toezeggingen niet na te komen, doch de door Abbas afgelegde verklaringen wèl te gebruiken. 2.4. Karman en Abbas zijn medeverdachten ten aanzien van alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten. De verklaringen van Karman en van Abbas zijn voor de verdachte zeer belastend. Aannemelijk is dat zonder die met Karman en Abbas gesloten overeenkomsten het openbaar ministerie niet de beschikking zou hebben gehad over de desbetreffende verklaringen. In ruil voor die verklaringen heeft het openbaar ministerie aan Karman en Abbas - kort gezegd - enige vorm van straffeloosheid toegezegd ten aanzien van ongeveer hetzelfde feitencomplex als aan de verdachte is tenlastegelegd. 3. Beoordeling van de overeenkomsten in het algemeen. 3.1. Inleiding.
Het hof zal zich bij de beoordeling van de onderhavige overeenkomsten niet begeven in een discussie omtrent de juiste definitie van het begrip 'kroongetuige', al of niet in tegenstelling tot die van het begrip 'deal met crimineel'. Het zal het thans voorliggende geval beoordelen, zoals dat blijkens de in onderdeel 2. weergegeven gang van zaken wordt getypeerd: de beschikbaarheid van een zeer belastende getuigenverklaring, afgelegd door een met naam en toenaam bekende medeverdachte, verkregen als gevolg van een overeenkomst met het openbaar ministerie waarbij de getuige, in ruil voor zijn verklaring, enige vorm van straffeloosheid is toegezegd ten aanzien van ongeveer hetzelfde feitencomplex als aan de verdachte is tenlastegelegd. 3.2. Kenmerken van de overeenkomsten. 3.2.1. Bij deze overeenkomsten met de getuigen gaat het om een instrument dat in de eerste plaats erdoor wordt gekenmerkt dat toepassing ervan geen rechtstreekse inbreuk maakt op persoonlijkheidsrechten, eigendomsrechten en soortgelijke fundamentele rechten van de verdachte; in zoverre verschilt het van bloedproef en DNA-onderzoek en van andere dwangmiddelen en bijzondere opsporingsmethoden als huiszoeking, telefoontap, inkijkoperaties, langdurige en systematische observatie e.d. 3.2.2. In de tweede plaats wordt door het sluiten van de overeenkomst een verklaring verkregen omtrent feiten en omstandigheden die zich reeds hebben voorgedaan en op welke feiten en omstandigheden dat instrument geen invloed kan hebben; in zoverre verschilt het tevens van bijzondere opsporingsmethoden als pseudo-koop, infiltratie e.d. 3.2.3. In de derde plaats zijn de onderhavige overeenkomsten niet gesloten teneinde gegevens te verzamelen om vast te stellen of van een redelijk vermoeden van door de verdachte gepleegde strafbare feiten sprake is, doch ter verkrijging van bewijs omtrent strafbare feiten waarvan de verdachte reeds werd verdacht; in zoverre is dit instrument niet gehanteerd als middel in enige 'pro-actieve' onderzoeksfase. 3.2.4. In de vierde plaats is hetgeen als gevolg van de overeenkomst wordt verkregen een verklaring van een getuige over hetgeen deze als medeverdachte met betrekking tot de aan de verdachte tenlastegelegde feiten zelf heeft meegemaakt en ondervonden; in zoverre verschilt dit bewijsmateriaal van materiaal dat, door toepassing van opsporingsmethoden, van de verdachte zelf is verkregen of van de verdachte zelf afkomstig is. 3.2.5. Ten slotte verdient aantekening dat het belang gevrijwaard te blijven van zeer belastende verklaringen op zichzelf niet een rechtens te respecteren belang van de verdachte is. De verdediging verkeert weliswaar in een nadeliger positie door de op grond van de overeenkomst afgelegde zeer belastende verklaringen, maar dit nadeel verschilt niet van het nadeel dat de verdediging ondervindt, indien getuigen zulke verklaringen tegen een verdachte hebben afgelegd, zonder dat daaraan overeenkomsten tussen het openbaar ministerie en die getuigen ten grondslag liggen. Dat nadeel is aan elke belastende getuigenverklaring verbonden en dient telkens door uitoefening van de aan de verdediging, mede in artikel 6, derde lid, EVRM toegekende, rechten de nodige compensatie te vinden. Telkens moet worden onderzocht of er - kort gezegd - voldoende gelegenheid is geweest de getuige te ondervragen en de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de getuige en zijn verklaring te onderzoeken. De wijze van verkrijging van dergelijke verklaringen kan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de getuige en zijn verklaring nadelig beïnvloeden; de vereiste mate van compensatie hangt daarmee samen. Eerst bij gebreke van voldoende compensatie kan niet van een eerlijke behandeling worden gesproken. 3.3. Bijzondere wettelijke grondslag vereist? 3.3.1. Als meest verstrekkend verweer is door de verdediging aangevoerd dat zonder bijzondere wettelijke grondslag de officieren van justitie niet gerechtigd waren tot het sluiten van de overeenkomsten en dat het de rechter bij gebreke van een wettelijke, democratisch verankerde, legitimatie niet vrij staat om 'het instituut van de kroongetuige' te erkennen. 3.3.2. Aan tekst noch ratio van artikel 107 van de Grondwet kan de verplichting worden ontleend tot een bijzondere wettelijke voorziening vooraf voor het toekennen aan het openbaar ministerie van de bevoegdheid om afspraken te maken met getuigen teneinde belastende verklaringen tegen een verdachte te verkrijgen. 3.3.3. De wet verbiedt het aangaan van overeenkomsten als de onderhavige niet. Anderzijds ontbreekt een uitdrukkelijke wetsbepaling waarin aan de officier van justitie de bevoegdheid wordt toegekend om een dergelijke overeenkomst te sluiten. Aan richtlijnen van het openbaar ministerie kan uit de aard der zaak niet een zodanige bevoegdheid worden ontleend. 3.3.4. Uit het ontbreken van een uitdrukkelijke bevoegdheidsbepaling valt echter niet af te leiden dat zo'n bevoegdheid niet bestaat; de wet bevat immers geen limitatieve opsomming van in het kader van de opsporing te hanteren methoden of instrumenten. 3.3.5. Het opportuniteitsbeginsel brengt mee dat het het openbaar ministerie in beginsel vrij staat al of niet tot vervolging van verdachten over te gaan. 3.3.6. Bij deze stand van zaken aanvaardt het hof, in het licht van de gegeven typering van de overeenkomsten, dat in beginsel aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toekomt ter vervulling van de in artikel 141 WvSv aan de officieren van justitie opgedragen opsporingstaak en ter uitoefening van de bevoegdheid te beslissen omtrent het al of niet vervolgen van verdachten de onderhavige overeenkomsten aan te gaan. 3.3.7. Deze handelingsbevoegdheid van het openbaar ministerie wordt in beginsel door het hof aanvaard, ook al worden in het juridisch en maatschappelijk debat over deze overeenkomsten belangrijke argumenten aangevoerd, die de gevaren van het gebruik van dit instrument ter verkrijging van een getuigenverklaring en de noodzaak van een wettelijke regeling belichten. Zonder af te doen aan de ernst van de bezwaren die aan een onbeperkte toepassing van dit instrument kleven voor de geloofwaardigheid van de strafrechtspleging in een democratische rechtsstaat, niet reeds bij voorbaat valt te zeggen dat deze bezwaren uit hun aard een zodanig ernstig gevaar voor een integer strafproces vormen, dat zij aan de toelaatbaarheid van elke overeenkomst in elk concreet geval in de weg zouden moeten staan. Evenmin kan gezegd worden dat de bevoegdheid deze overeenkomsten aan te gaan zonder uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheidstoedeling niet aan de algemene (opsporings- en vervolgings)bevoegdheden van het handelende orgaan zouden mogen worden ontleend. Het moge juist zijn dat bij afspraken als de onderhavige fundamentele rechten van de getuige zelf op het spel staan en dat het, met het oog op de gevaren voor een integere strafrechtspleging, wenselijk is dat de wetgever de grenzen bepaalt waarbinnen het maatschappelijk gezien aanvaardbaar of toelaatbaar is zulke afspraken te maken. Niet juist is dat de strafrechter, die op de grondslag van de tenlastelegging moet beoordelen of de strafbare feiten door de verdachte zijn begaan, uit een oogpunt van rechtseenheid of rechtszekerheid dient te wachten tot een wettelijke regeling is tot stand gekomen die nadere grenzen stelt aan de inhoud van de afspraken en die de belangen van de getuige waarborgt. Het zijn de verdachte en diens belangen die de kern uitmaken van deze strafprocedure. 3.3.8. Aan het vorenstaande ligt vanzelfsprekend mede een rechtspolitieke keuze ten grondslag. In de juridische en maatschappelijke discussie heeft het hof echter onvoldoende overtuigende aanwijzingen gevonden dat vormen van beloning als de onderhavige onder alle omstandigheden als uit den boze dienen te worden bestempeld. Daarbij speelt een rol dat, zoals reeds de Memorie van Toelichting op het Wetboek van Strafvordering aangeeft, uitgangspunt bij een goed ingericht strafproces moet zijn zoveel mogelijk te bevorderen dat toepassing van de strafwet op de werkelijk schuldige kan plaatsvinden en dat aan politie en justitie de middelen in handen moeten worden gegeven om misdrijven en schuldigen op te sporen. 3.3.9. Waar niet op voorhand gezegd kan worden dat fundamentele rechten van de verdachte worden geschonden, niet op voorhand de in het geding zijnde belangen van de verdachte zich niet voor compensatie lenen, niet op voorhand kan worden aangenomen dat de inhoud van de als gevolg van de overeenkomst verkregen verklaringen onbetrouwbaar is en het instrument van de afspraak zelf - in tegenstelling tot bijvoorbeeld marteling, waarmee de verdediging meermalen een vergelijking heeft getrokken - niet uit zijn aard een middel is dat in een rechtsstaat niet behoort te worden toegepast, acht het hof deze keuze gerechtvaardigd. 3.3.10. Anders dan wel is aangevoerd, is er geen grond om aan te nemen dat elke overeenkomst met een 'crimineel' per definitie in strijd is met de openbare orde of de goede zeden. 3.4. Algemene toetsingscriteria. 3.4.1. Tegen de achtergrond van de geschetste kenmerken van de onderhavige overeenkomsten wordt duidelijk dat het concrete belang van de verdachte, dat door het hanteren van het instrument in het geding kan zijn, dat tot adequate uitoefening van zijn, mede in artikel 6 EVRM gewaarborgde, verdedigingsrechten is. Dat betekent dat getoetst dient te worden of en in hoeverre de overeenkomst inbreuk maakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak wordt tekortgedaan. Voor een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is eerst plaats, indien sprake is van ernstige inbreuken op deze beginselen, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling wordt tekortgedaan. 3.4.2. In onderdeel 4. zal worden beoordeeld of aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling is tekortgedaan. 3.4.3. Het sluiten van de overeenkomsten door het openbaar ministerie teneinde belastende verklaringen te verkrijgen tegen een verdachte raakt tevens aan -wezenlijke- algemene belangen van een integer strafproces. De ene verdachte van strafbare feiten verkrijgt een vorm van straffeloosheid, terwijl de ander in verband met min of meer hetzelfde feitencomplex wèl wordt vervolgd en berecht. Dat schept ongelijkheid. De overeenkomst vormt bovendien een factor die de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de daardoor verkregen verklaringen negatief kan benvloeden. 3.4.4. De uitoefening van de bevoegdheid van het openbaar ministerie tot het sluiten van de overeenkomsten moet dan ook, gelet op de daarbij betrokken algemene belangen van een integere strafrechtspleging, voldoen aan normen van behoorlijk strafvorderlijk handelen. De beslissing tot het aangaan van de overeenkomst met de getuige en het bepalen van inhoud en doel van de overeenkomst dienen in de gegeven omstandigheden zorgvuldig te zijn geschied. 3.4.5. Het hof acht het zijn taak deze toetsing aan normen van behoorlijk handelen te verrichten, juist waar wettelijke regels ontbreken die daarvoor aan het openbaar ministerie houvast bieden. Het strafproces is het forum bij uitstek waar verantwoording voor dit handelen dient te worden afgelegd. Die toetsing verricht het hof in onderdeel 5. 3.4.6. Ten slotte moet worden nagegaan of het openbaar ministerie, door de overeenkomsten met Karman en Abbas aan te gaan, inbreuk maakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor de beslissing tot strafvervolging van de verdachte jegens hem in strijd is met normen van een behoorlijke vervolgingsbeslissing. Die toetsing vindt plaats in onderdeel 6. 4. Recht op een eerlijke behandeling. 4.1. Inleiding. Zoals hierboven onder 3.4.1. en 3.4.2. is aangekondigd, zal in dit onderdeel worden onderzocht of inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor aan het concrete recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. 4.2. Openheid met betrekking tot de overeenkomsten. 4.2.1. Deze beginselen van een behoorlijke procesorde brengen voor alles mee dat aan de verdediging, die wordt geconfronteerd met een overeenkomst die het openbaar ministerie met een getuige heeft gesloten, met het oog op de uitoefening van haar rechten volledige openheid moet zijn gegeven omtrent bestaan, wijze van totstandkomen en inhoud van de overeenkomsten en dat de verdediging ten volle in de gelegenheid moet zijn geweest de wijze van totstandkomen en de inhoud van de overeenkomsten ter discussie te stellen. 4.2.2. Aan die normen is volledig voldaan. Omtrent het bestaan van de overeenkomsten en de identiteit van Karman en Abbas is van den beginne openheid betracht. De overeenkomsten zijn schriftelijk vastgelegd en deze en alle daarvoor van belang zijnde bescheiden zijn in het dossier gevoegd. Karman en Abbas zijn in alle stadia van de procedure op dit punt, in aanwezigheid van de verdediging, als getuige gehoord en mrs. Teeven en Witteveen zijn daaromtrent ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoord. Gebleken is dat tussen de officieren van justitie en Karman en Abbas geen wezenlijk verschil van mening bestaat omtrent de betekenis van de overeenkomsten en de wijze waarop deze zijn tot stand gekomen. Ook overigens heeft de verdediging de gelegenheid gehad alle noodzakelijke informatie omtrent de overeenkomsten te verkrijgen. 4.2.3. Daaraan doet niet af, wat door de verdediging is aangeduid als het NOVA-incident. Na het sluiten van de overeenkomst heeft de toenmalige raadsman van Karman blijkens correspondentie met de officieren van justitie nadere onderhandelingen geopend. De desbetreffende brief van de raadsman van Karman, mr. Van Gessel, van 18 juni 1996 en het antwoord van de officieren van justitie zijn door het openbaar ministerie aanvankelijk niet in het geding gebracht. Op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 januari 1997 heeft de rechtbank deze informatie in door haar geschoonde vorm alsnog aan het dossier doen toevoegen. De inhoud daarvan heeft in eerste aanleg voorwerp van debat uitgemaakt en de rechtbank heeft daarmede bij haar eindbeslissing rekening kunnen houden. In hoger beroep heeft de verdediging daaromtrent, naast de officieren van justitie, Karman en mr. Van Gessel als getuigen kunnen ondervragen. Aldus is de verdediging in de gelegenheid geweest een en ander ten volle in het onderzoek te betrekken. 4.2.4. Door de verdediging is aangevoerd dat de officieren van justitie doelbewust een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven over de omvang van de geldelijke beloning die aan Karman is toegezegd en de inhoud van de financiële onderhandelingen. 4.2.5. Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, in het bijzonder ook uit hetgeen uit de verhoren van Karman, mr. Van Gessel en de officieren van justitie als getuigen naar voren is gekomen, acht het hof niet aannemelijk geworden dat dit het geval is geweest. De verklaring van de getuige R. op dit punt heeft het hof niet aan het twijfelen gebracht. Verwezen zij ook naar hetgeen het hof onder 5.4.5. overweegt in verband met de evenredigheid van de overeenkomst met Karman. 4.2.6. Door de verdediging is aangevoerd dat de officieren van justitie de toezegging aan Abbas dat hij niet als getuige ter terechtzitting zou behoeven te verschijnen doelbewust buiten de schriftelijke overeenkomst met Abbas hebben gehouden. 4.2.7.Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, in het bijzonder uit het verhoor van de getuigen mr. Teeven en mr. Witteveen, is niet aannemelijk geworden dat zodanige toezegging in ruil voor het afleggen van belastende verklaringen daadwerkelijk is gedaan. Abbas is ook ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep als getuige verschenen en heeft verklaringen afgelegd. 4.3. Equality of arms. Betoogd is door de verdediging dat het aangaan van de overeenkomsten in strijd komt met het beginsel van 'equality of arms', aangezien de verdediging - anders dan het openbaar ministerie - geen toezeggingen van strafrechtelijke aard aan getuigen kan doen. Die enkele omstandigheid brengt echter nog geen schending van het beginsel van een eerlijke behandeling mee. Deze ongelijkheid vloeit immers voort uit het verschil in taak en positie in het strafproces tussen het openbaar ministerie en de verdediging. 4.4. Zuiverheid van oogmerk. 4.4.1. De, zonder de overeenkomst niet verkregen, zeer belastende verklaringen van Karman en Abbas plaatsen de verdediging in een nadeliger po- sitie. Die enkele omstandigheid doet evenwel geen afbreuk aan een eerlijke behandeling van de zaak en doet de overeenkomst niet reeds daardoor onrechtmatig zijn. Het belang van de verdachte dat dient te worden gewaarborgd is het belang de als gevolg van deze overeenkomst verkregen verklaringen op adequate wijze ter discussie te kunnen stellen. Het sluiten van de overeenkomst als instrument tot het verkrijgen van de verklaring is jegens de verdachte niet rechtmatig als deze wordt aangegaan met het uitsluitend oogmerk om het voeren van de verdediging onredelijk te bemoeilijken. 4.4.2. Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat dit oogmerk bij de officieren van justitie heeft voorgezeten. 4.5. Subsidiariteit en proportionaliteit. 4.5.1. De verdediging heeft in den brede betoogd dat de onderhavige overeenkomsten zijn gesloten in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder die van subsidiariteit en proportionaliteit. 4.5.2. Hier staat ten toets of door de overeenkomsten aan de concrete belangen van de verdachte bij een eerlijke behandeling wordt tekortgedaan. 4.5.3. Door de overeenkomst wordt, zoals in onderdeel 3.2. is overwogen, geen rechtstreekse inbreuk gemaakt op fundamentele rechten van de verdachte of op verdedigingsrechten, die zich niet voor compensatie lenen. Gebrek aan proportionaliteit of subsidiariteit bij het sluiten van de overeenkomst maakt dit niet anders. Door overtreding van deze normen van een redelijke belangenafweging worden - anders gezegd - de genoemde fundamentele rechten van de verdachte of zijn recht op een eerlijke behandeling niet geschonden. 4.5.4. Daarom behoeft met het oog op het concrete belang van de verdachte bij een eerlijke behandeling een afzonderlijke toetsing aan normen van subsidiariteit en proportionaliteit niet plaats te vinden. 4.6. Overige stellingen in verband met het recht op een eerlijke behandeling. 4.6.1. Voor toetsing van het interne besluitvormingsproces binnen het openbaar ministerie aan de ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten bestaande modelbrief "Deals met criminelen" uit 1983 bestaat voor de beoordeling van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of de rechtmatigheid van de overeenkomsten uit het oogpunt van bescherming van de belangen van de verdachte bij een eerlijke behandeling geen noodzaak. Deze instructies - in zoverre is het hof het met de verdediging eens - vormen geen recht in de zin van artikel 99 RO. De daarin neergelegde normen strekken evenwel - anders dan de verdediging meent - niet ter bescherming van de bedoelde rechten van de verdachte. 4.6.2. De omstandigheid dat, zoals door de verdediging is betoogd, de met Karman gemaakte afspraak tot het niet tenuitvoerleggen van een eventueel door de rechter op te leggen straf en de afspraak met Abbas tot het betalen van een transactiebedrag in strijd met de wet zijn gemaakt, vormt geen inbreuk op enig recht of enig rechtens te respecteren belang van de verdachte. De mogelijk overtreden wettelijke norm strekt immers niet ter bescherming van de belangen van de verdachte, in het bijzonder ook niet dat bij een eerlijke behandeling van zijn zaak. Van strijd met het in artikel 1 WvSv neergelegde legaliteitsbeginsel, zoals door de verdediging is aangevoerd, is geen sprake. 4.6.3. Datzelfde geldt ook voor andere gebreken die in de verhouding tot Karman en Abbas aan de overeenkomst mochten kleven. Aangevoerd is dat Karman en Abbas geen afstand konden doen van hun zwijgrecht als verdachte of hun verschoningsrecht als getuige. Wat daarvan rechtens zij in de verhouding tussen de partijen die de overeenkomst hebben gesloten, het recht om te zwijgen of het recht zich te verschonen strekt niet ter bescherming van de verdachte, doch uitsluitend ter bescherming van Karman en Abbas zelf. 4.6.4. In dit verband is voorts, zo nodig subsidiair, gesteld dat aan Karman en Abbas als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep geen verschoningsrecht toekwam, omdat zij daarvan bij overeenkomst reeds afstand hadden gedaan, dat zij door - met een beroep op het hun ten onrechte door de rechtbank en het hof toegekende verschoningsrecht - toch op bepaalde vragen geen antwoord te geven, toerekenbaar zijn tekortgeschoten in hun verplichtingen uit de overeenkomst en dat het openbaar ministerie, door zowel in eerste aanleg als in appel het beroep op dit verschoningsrecht te ondersteunen of zich daartegen niet te verzetten, doelbewust of met grove veronachtzaming van beginselen van een behoorlijke procesorde heeft gehandeld. Dit een en ander leidt er volgens de verdediging toe, zo begrijpt het hof, dat aldus het recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak tegen de verdachte is geschonden. 4.6.5. Dit verweer gaat niet op. Aan Karman, tegen wie een strafvervolging loopt ter zake van bepaalde strafbare feiten (en tegen wie, anders dan de verdediging kennelijk meent, niet alleen een ontnemingsvordering is aangekondigd) en aan Abbas, die als verdachte is aangemerkt ten aanzien van ongeveer hetzelfde feitencomplex als aan de verdachte is tenlastegelegd, komt, in weerwil van de gesloten overeenkomsten, een wettelijk verschoningsrecht toe. Het hof neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist op onder meer de terechtzittingen van 30 september 1997 en 20 oktober 1997. Dit houdt in dat ook in eerste aanleg de rechtbank met juistheid een verschoningsrecht aan Karman en Abbas heeft toegekend. Het openbaar ministerie heeft dan ook in redelijkheid van oordeel kunnen zijn dat, niettegenstaande de gesloten overeenkomsten, een beroep op het aan Karman en Abbas toekomende verschoningsrecht moest worden ondersteund. Niet aannemelijk is geworden dat het openbaar ministerie dit beroep op het verschoningsrecht heeft ondersteund met het uitsluitend oogmerk om te beletten dat de verdediging antwoorden op bepaalde vragen kon krijgen. 4.6.6. Het feit dat als gevolg van dit beroep op een verschoningsrecht enkele vragen niet zijn beantwoord doet geen afbreuk aan het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, ook niet als het gevolg van dat beroep is geweest dat de verdediging geen antwoord heeft gekregen op vragen die zij van belang acht voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de overeenkomsten. 4.6.7. In hoger beroep is gebleken van het bestaan van de, in een gespreksnotitie vastgelegde, zogenaamde 'discrete verklaring' van G., die belastend materiaal over Karman bevatte. Deze gespreksnotitie bevond zich niet in het dossier. De verdediging heeft daaromtrent aangevoerd dat deze procesinformatie door het openbaar ministerie willens en wetens is verzwegen. 4.6.8. Dienaangaande is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, in het bijzonder uit de verklaringen van de getuigen G., Lease en Bakker, het proces-verbaal van 20 oktober 1997, opgemaakt door Bakker, met als bijlage de bedoelde gespreksnotitie, en het ambtsbericht van diezelfde datum van mr. Witteveen het navolgende aannemelijk geworden. G., als verdachte verhoord, wenste uit angst voor represailles zijn verklaring met bepaalde informatie over T. niet te ondertekenen. In overleg met teamleider Bakker hebben de verhorende verbalisanten Schansman en Lease deze informatie toen in een gespreksnotitie vastgelegd. In die gespreksnotitie is ook informatie over Karman vermeld, te weten over de aanwezigheid van een vuurwapen aan boord van de Moana B. Volgens Lease is deze gespreksnotitie aan Bakker ter hand gesteld. Bakker en Witteveen kunnen zich deze gespreksnotitie niet (meer) herinneren. 4.6.9. Nu er geen enkele aanwijzing voor het tegendeel aannemelijk is geworden, moet het ervoor worden gehouden dat de officieren van justitie niet doelbewust het bestaan van deze gespreksnotitie hebben verzwegen of doen verzwijgen, maar veeleer dat hun deze is ontgaan. Daarbij komt dat, toen de bedoelde gegevens uit het verhoor van de getuige G. naar voren kwamen, ook Karman daarmede als getuige is kunnen worden geconfronteerd. In deze omstandigheden zijn door de gang van zaken geen beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden waardoor aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Van grove veronachtzaming van die beginselen is al in het geheel geen sprake. 4.6.10. Ten slotte is het verweer gevoerd dat de officieren van justitie de rechter en de verdediging doelbewust hebben misleid door te verzwijgen dat met P. en Van der V. een deal is gesloten. Het hof neemt niet aan dat zulke deals zijn gesloten. Deze beslissing wordt gemotiveerd onder 7.7.4. en onder 7.7.5. Naar die overwegingen wordt hier verwezen. Van een doelbewuste misleiding is dan ook geen sprake. 4.6.11. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden waardoor aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces wordt tekortgedaan. 4.7. Conclusie. 4.7.1. Beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling wordt tekortgedaan, zijn niet geschonden. Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of bewijsuitsluiting op deze grond is geen plaats. 4.7.2. Het verweer van de verdediging op dit punt wordt dan ook, in al zijn onderdelen, verworpen. 5. Belang van een integer strafproces. 5.1. Inleiding. Onder 3.4.3 tot en met 3.4.5. is in het vooruitzicht gesteld dat in dit onderdeel wordt getoetst of, met het oog op de algemene belangen van een integer strafproces, de bevoegdheid van het openbaar ministerie tot het sluiten van de overeenkomsten met Karman en Abbas is uitgeoefend op een wijze die in overeenstemming is met normen van behoorlijk strafvorderlijk handelen. 5.2. Algemeen. 5.2.1. Het openbaar ministerie heeft in beginsel beleidsvrijheid bij de beslissing tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het sluiten van overeenkomsten teneinde belastende verklaringen te verkrijgen, de beoordelingsruimte ten aanzien van de inzet van geld en middelen daaronder begrepen. De rechterlijke toetsing dient dus marginaal te zijn. 5.2.2. Daarbij is van belang dat het openbaar ministerie zich in de eerdergenoemde modelbrief op het standpunt heeft gesteld dat het bij het sluiten van overeenkomsten als de onderhavige zal moeten gaan "om zaken van leven of dood of van een daarmee gelijk te stellen ernst", terwijl het in de per 1 april 1997 in werking getreden Richtlijn afspraken met criminelen heet dat het maken van een afspraak alleen toelaatbaar is "als uiterst redmiddel in zaken van georganiseerde criminaliteit of zaken van leven of dood". Daarmede heeft het openbaar ministerie tot uitdrukking gebracht dat het zijn beleid op dit punt heeft bepaald; daaraan mag het ook worden gehouden. 5.2.3. Dat neemt niet weg dat bij de beoordeling van de onderhavige beslissingen onvoldoende grond bestaat uitsluitend te letten op de omschrijving in de ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten bestaande modelbrief. Kennelijk en niet onbegrijpelijk bestond binnen het openbaar ministerie geen vastomlijnde opvatting wat ten tijde van die beslissingen onder zaken van "daarmee gelijk te stellen ernst" moest worden verstaan. Tegen de achtergrond van de sinds 1983 plaatsgevonden hebbende maatschappelijke ontwikkelingen is het alleszins aannemelijk dat het openbaar ministerie daaronder ook zaken van georganiseerde criminaliteit heeft begrepen. 5.2.4. Daarom moet worden nagegaan of het openbaar ministerie in redelijkheid tot het oordeel is kunnen komen, enerzijds, dat de beslissing tot het aangaan van de onderhavige overeenkomsten als uiterst redmiddel in een zaak van georganiseerde criminaliteit heeft te gelden en, anderzijds, dat bij de beslissing tot het sluiten van de overeenkomsten het belang van opsporing, vervolging en berechting van de verdachte in dit geval zwaarder woog dan het belang van vervolging en berechting van de medeverdachte Karman en van de medeverdachte Abbas. 5.2.5. Valt die toets negatief uit, dan is het sluiten van de overeenkomst onrechtmatig. De vraag is vervolgens of op deze onrechtmatigheid een processuele sanctie past. 5.2.6. Voor bewijsuitsluiting van de verklaringen, die het gevolg zijn van een overeenkomst die is gesloten in strijd met de zorgvuldigheid, is pas grond, als - gelet op alle van belang zijnde factoren - de verklaringen niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Die beoordeling wordt in onderdeel 7. verricht. 5.2.7. Voor de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging is hier plaats als het openbaar ministerie doelbewust of met ernstige veronachtzaming van de belangen van een integer strafproces, en dus met grove onzorgvuldigheid, heeft gehandeld. 5.2.8. Opmerking verdient dat de constatering van onzorgvuldig handelen en dus van de onrechtmatigheid van de beslissing tot het sluiten van de overeenkomst, ook zonder de sanctie van bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, belang heeft. Het is de vaststelling van een normschending, waarin op zichzelf voor de verdachte een zekere genoegdoening kan zijn gelegen. Bovendien is de normhandhaving in de toekomst daarmee gediend, omdat in latere gevallen zou kunnen gelden dat dan wel doelbewust in strijd met de zorgvuldigheid is gehandeld. En ten slotte zou het onrechtmatige karakter van een handeling ook een factor kunnen zijn die bij de hoogte van de straf in aanmerking wordt genomen. 5.2.9. De eis van een zorgvuldige besluitvorming brengt, voor zover hier van belang, in de eerste plaats toetsing mee of de beslissing tot het sluiten van de overeenkomsten in overeenstemming is met normen van subsidiariteit en evenredigheid. Daarnaast moet worden bezien of anderszins onzorgvuldig is gehandeld. 5.3. Subsidiariteit. 5.3.1. De verdediging heeft aangevoerd dat voldoende andere opsporingsmiddelen benut hadden kunnen worden om bewijs tegen de verdachte te verzamelen. 5.3.2. Getoetst moet worden of het openbaar ministerie in redelijkheid de onderhavige overeenkomsten noodzakelijk kon achten om, bij gebreke van andere (opsporings)middelen, binnen een aanvaardbare termijn te kunnen komen tot opsporing en bewijs van de strafbare feiten waarvan de verdachte werd verdacht. 5.3.3. Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Weliswaar bestonden er concrete aanwijzingen die de verdachte in verband brachten met de tenlastegelegde strafbare feiten, maar niet aan redelijke twijfel is onderhevig dat, gelet op de aard, de mate van concretisering en de gedetailleerdheid van die gegevens en gelet op de bronnen van die informatie, deze aanwijzingen nog niet voldoende bruikbaar bewijs konden opleveren dat de verdachte de strafbare feiten had begaan. Ook uit het verhoor van de getuige Van der Putten is niet aannemelijk geworden dat op basis van de toen voorhanden informatie al van genoegzaam, tactisch bruikbaar, bewijs sprake was. De omstandigheid dat de misdaad-analist Drost, wiens taak het is hypothesen op te stellen, niet ter terechtzitting in hoger beroep als getuige is kunnen worden gehoord is, gelet op de overige beschikbare gegevens, van onvoldoende gewicht om daarover anders te oordelen. De verdediging heeft ook niet gemotiveerd gesteld dat voldoende specifiek bewijs reeds voorhanden was, doch uitsluitend gespeculeerd over mogelijk nog te verrichten nader onderzoek. 5.3.4. Aannemelijk is dat, gelet op de aard van een criminele organisatie als de onderhavige, alleen een bron van binnenuit de organisatie of van dichtbij de bestuurders voldoende zicht zou kunnen bieden op degenen die leiding gaven aan de gepleegde strafbare feiten. Niet aannemelijk is geworden dat ander onderzoek binnen afzienbare tijd tot enig vergelijkbaar resultaat had kunnen leiden. Van de zijde van de verdediging is ook niet aangegeven welk concreet ander onderzoek nog had kunnen zijn verricht.
|