ECHTSCHEIDING ONLINE
€ 675 ALL IN

Home   Contact   Sitemap
 
  Nieuwsarchief
   Strafrecht | Scheiden | Intellectueel Eigendom | Personen & Familierecht | Civiel recht | Advies
 
  Urka
   
 
 
     
 

Strop voor het Openbaar Ministerie

Urka
 
Arrest d.d. 29 maart 1999

arrestnummer
rolnummer 23-000432-98
datum uitspraak 29 maart 1999
tegenspraak

Arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de arrondissements-

rechtbank te Amsterdam van 26 januari 1998

in de strafzaak onder parketnummer 13/129145-96

tegen

E. L.M. U.,

geboren te ......,

verblijvende te ......

De omvang van het hoger beroep
Het hof verstaat dat de rechtsstrijd in hoger beroep alleen omvat de in de op 7 november 1997 gewijzigde tenlastelegging vermelde feiten 1, met uitzondering van -kort gezegd- de ongeveer 6520 kilogram hashish in België, 6, 9, 10, 11 en 12. In afwijking van hetgeen in de akte van appel openbaar ministerie van 6 februari 1998 en de appelmemorie staat vermeld, begrijpt het hof dat -gelet op de mededeling van de procureur-generaal hieromtrent ter zitting van 9 juli 1998- in hoger beroep de beslissing van de rechtbank waarbij de dagvaarding partieel nietig is verklaard ten aanzien van de zinsneden "en/of buiten Nederland" in de feiten 1 en 6 en de zinsnede "en/of meer (andere) staten" in feit 1 ook aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Geldigheid van de dagvaarding
Het hof overweegt ambtshalve dat de zinsneden "en/of buiten Nederland" in de feiten 1 en 6 alsmede "en/of een of meer (andere) staten" in feit 1 te onbepaald zijn. De dagvaarding voldoet op die punten niet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. Mitsdien verklaart het hof de dagvaarding ten aanzien van de zinsneden "en/of buiten Nederland" in de feiten 1 en 6 alsmede "en/of een of meer (andere) staten" in feit 1 in zoverre partieel nietig.

Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 2 juli 1997, 3 juli 1997, 1 september 1997, 2 september 1997, 4 september 1997, 5 september 1997, 3 november 1997, 4 november 1997, 7 november 1997, 10 november 1997, 12 november 1997, 14 november 1997, 17 november 1997, 19 november 1997, 21 november 1997, 24 november 1997, 25 november 1997, 27 november 1997, 28 november 1997, 1 december 1997, 3 december 1997, 8 december 1997, 10 december 1997, 11 december 1997, 15 december 1997, 17 december 1997 18 december 1997, 19 december 1997, 22 december 1997, 5 januari 1998 en 12 januari 1998 en in hoger beroep van 9 juli 1998, 17 juli 1998, 14 september 1998, 16 september 1998, 18 september 1998, 22 september 1998, 28 september 1998, 30 september 1998, 2 oktober 1998, 13 oktober 1998, 15 oktober 1998, 27 oktober 1998, 29 oktober 1998, 30 oktober 1998, 5 november 1998, 25 november 1998, 26 november 1998, 3 december 1998, 16 december 1998, 21 januari 1999, 4 februari 1999, 9 februari 1999, 12 februari 1999, 3 maart 1999 en 15 maart 1999.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie en in hoger beroep op vordering van de procureur-generaal gewijzigd. De inhoud van de gewijzigde tenlastelegging voor zover in hoger beroep na de ter zitting van het hof van 17 juli 1998 uitgesproken beslissing van het hof nog aan de orde luidt als volgt:

1. dat hij in of omstreeks de periode van 1 april 1994 tot en met 1 december 1996 te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, gevormd door hem, verdachte, en/of L.H. C. en/of C.T. C. en/of J.M. D. A. en/of J.E. F. en/of W. D. en/of N.M. K. en/of R.E. S. en/of A. G. en/of F. P. en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer handelshoeveelheden hashish en/of hennep, in elk geval van een middel of middelen als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die Wet behorende Lijst II, ten behoeve van de bevoorrading van een of meer coffeeshops, althans handelaren in die middelen, en/of

- het (telkens) opzettelijk afleveren aan die coffeeshops, althans handelaren in die middelen, en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, vervoeren en/of verstrekken van die middelen en/of

- het op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks het tijdvak van maart 1995 tot en met april 1996 opzettelijk vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben naar en/of op het grondgebied van Canada van (telkens) een hoeveelheid van (ongeveer) 300 kilogram en/of 400 kilogram en/of 500 kilogram en/of 700 tot 800 kilogram, in elk geval (telkens) een handelshoeveelheid hashish en/of hennep, althans van een middel en/of middelen als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet, en vermeld op de bij die wet behorende lijst II en/of

- het in of omstreeks de maand mei 1996 opzettelijk vervoeren en/of aanwezig hebben op het grondgebied van Jacksonville, in elk geval de Verenigde Staten (met/op het vaartuig "0rcadia") van een hoeveelheid van (ongeveer) 17.000 kilogram, in elk geval een handelshoeveelheid, hashish en/of hennep, in elk geval van een middel of middelen als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die Wet behorende Lijst II en/of/

- het in of omstreeks de maanden april en mei 1996 opzettelijk vervoeren en/of aanwezig hebben in de wateren voor de Westkust van Afrika (met/op het vaartuig "Great Alexzander") van een hoeveelheid van (ongeveer) 100.000 kilogram, in elk geval een handelshoeveelheid, hashish en/of hennep, in elk geval van een middel of middelen als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die Wet behorende Lijst II en/of

- het in of omstreeks de maand maart 1996 opzettelijk vervoeren en/of aanwezig hebben op het grondgebied van Karachi en/of Lahore, althans Pakistan, van een hoeveelheid van (ongeveer) 23.000 kilogram, in elk geval een handelshoeveelheid, hashish en/of hennep, in elk geval van een middel of middelen als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die Wet behorende Lijst II en/of

- het (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het vervoeren, verkopen, afleveren en/of aanwezig hebben op het grondgebied van Nederland, van een of meer handels-hoeveelheden hashish en/of hennep, in elk geval van een middel of middelen als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die Wet behorende Lijst II, en/of het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden van middelen als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die Wet behorende Lijst 1, en/of de uitlokking van en/of de medeplichtigheid aan bovenvermelde misdrijven,

welke deelneming bestond uit het ontwikkelen van plannen om voornoemde misdrijven te plegen en/of het houden van besprekingen en/of het geven van opdrachten en/of aanwijzingen en/of inlichtingen met betrekking tot de uitvoering van voornoemde misdrijven en/of het verzorgen en/of het laten verzorgen van betalingen van geldbedragen aan leveranciers, transporteurs, houders van opslagplaatsen van die verdovende middelen en/of anderen en/of andere handelingen, terwijl hij, verdachte, van die Organisatie oprichter en/of bestuurder was;

6. dat hij in of omstreeks de periode van 1 april 1994 tot en met 1 december 1996 te Amsterdam en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en/of bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, vervoerd en/of verstrekt een of meer handelshoeveelheden hashish en/of hennep, in elk geval van een middel of middelen als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die Wet behorende Lijst II;

9. dat hij op of omstreeks 28 mei 1993 te Amsterdam en/of elders in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hem zelf over het jaar 1990 en de vermogensbelasting voor hem zelf over het jaar 1991, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk op een bij de Inspecteur der Belastingen, althans bij de belastingdienst, te Amsterdam ingeleverd en door of namens hem ondertekend aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting over het jaar 1990 en/of de vermogensbelasting over het jaar 1991 in strijd met de waarheid opgegeven dat hij (gedurende een deel van het/de bedoelde belastingtijdvak(ken)) niet in Nederland woonachtig en/of belastingplichtig zou zijn (geweest) en/of dat zijn belastbaar inkomen in het jaar 1990 zou zijn geweest fl 178.330,=, zulks terwijl hij wel gedurende het gehele jaar in Nederland woonachtig en/of belastingplichtig was en/of het belastbare bedrag hoger was, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

10. dat hij op of omstreeks 30 mei 1994 te Amsterdam en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hem zelf over het jaar 1991 en de vermogensbelasting voor hem zelf over het jaar 1992 en/of een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hemzelf over het jaar 1992 en de vermogensbelasting voor hem zelf over het jaar 1993 en/of een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hem zelf over het jaar 1993 en de vermogensbelasting voor hem zelf over hetjaar 1994, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk op dat/die bij de Inspecteur der Belastingen, althans bij de belastingdienst, te Amsterdam ingeleverde en door of namens hem ondertekende aangiftebiljet(ten) in strijd met de waarheid opgegeven dat hij gedurende het/de (telkens) in dat/die aangiftebiljet(ten) bedoelde tijdvak(ken) niet in Nederland woonachtig en/of belastingplichtig zou zijn (geweest) en/of dat zijn belastbaar inkomen over dat/die tijdvak(ken) nihil zou zijn geweest, zulks terwijl hij (telkens) wel in Nederland woonachtig en/of belastingplichtig was en/of het belastbare bedrag (telkens) hoger was, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

11. dat hij op of omstreeks 28 april 1995 te Amsterdam en/of elders in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomsten-belasting voor hem zelf over het jaar 1994 en de vermogensbelasting voor hem zelf over het jaar 1995, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk op dat bij de Inspecteur der Belastingen, althans bij de belastingdienst, te Amsterdam ingeleverde en door of namens hem ondertekende aangiftebiljet in strijd met de waarheid opgegeven dat hij gedurende het/de in dat aangiftebiljet bedoelde tijdvak(ken) niet in Nederland woonachtig en/of belastingplichtig zou zijn (geweest) en/of dat zijn belastbaar inkomen in 1994 nihil zou zijn geweest, zulks terwijl hij wel in Nederland woonachtig en/of belastingplichtig was en/of het belastbare bedrag hoger was, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

12. dat hij op of omstreeks 1 april 1996, te Amsterdam en/of elders in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomsten-belasting en de vermogensbelasting, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk op een bij de Inspecteur der Belastingen, althans bij de belastingdienst, te Amsterdam ingeleverd en door of namens hem ondertekend aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting over het jaar 1995 en/of de vermogensbelasting over het jaar 1996 in strijd met de waarheid opgegeven dat hij gedurende het jaar 1995 niet in Nederland woonachtig en/of belastingplichtig zou zijn (geweest) en/of dat zijn belastbaar inkomen over het jaar 1995 nihil zou zijn geweest, zulks terwijl hij wel in Nederland woonachtig en/of belastingplichtig was en/of het belastbare bedrag hoger was, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven.

Gevoerde verweren
I. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van door hem ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde pleitnotities het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Hiertoe heeft hij -kort en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

1. Het onderhavige onderzoek is niet pas gestart op 1 april 1994; er is sprake van een doorlopend (pro-actief) onderzoek vanuit het IRT-Bruinsma-onderzoek en het IRT-Delta-onderzoek, zodat daaruit voortkomend materiaal is overgegaan naar het onderhavige onderzoek van het KTR.

2. Een aanzienlijk deel van de in het Radar-onderzoek verschafte CID-informatie was jaren eerder ook aan het IRT ten behoeve van het Delta-onderzoek verstrekt, zoals ook door de getuigen Van Hecke en Schouten ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard. Derhalve staat vast dat er sprake is van besmetting van het Radar-onderzoek vanuit het Delta-onderzoek.

3. Aan de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek van 5 oktober 1994 ligt geen enkel concreet gegeven tegen de verdachte U. ten grondslag. Noch het op 4 oktober 1994 door Gooijer opgemaakte milieu-onderzoek, noch het proces-verbaal van 28 september 1994 van Augusteijn levert een redelijke verdenking van concrete strafbare feiten jegens verdachte op, nu de CID-informatie van het zogenaamde rondje Augusteijn allemaal oude CID-informatie bevatte op basis waarvan eerder was vastgesteld dat daarin geen concrete gegevens of aanknopingspunten voorkwamen waaruit U. als verdachte zou kunnen worden bestempeld.

4. Het openbaar ministerie heeft ter ondersteuning van de nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek van 2 augustus 1995 (tegen de uitdrukkelijke wil van de zaaksofficier Wortel) gebruik gemaakt van telefoontaps uit het IRT-Bruinsma-dossier, welk bewijsmateriaal ingevolge de beslissing van de rechter-commissaris vernietigd had behoren te zijn.

5. Het openbaar ministerie heeft stelselmatig en diepgaand inbreuk gemaakt op de privacy van verdachte door het buitensporig lang aanwenden van dwangmiddelen en bijzondere opsporings-methoden. Dit klemt temeer nu het gerechtelijk vooronderzoek onvoldoende ernstige bezwaren heeft opgeleverd. Vervolgens heeft het openbaar ministerie strafbare feiten in het dossier gevoegd, terwijl ten aanzien van de verdachte met betrekking tot deze feiten bij de aanhouding geen enkele reële verdenking bestond.

6. De op verzoek van de verdediging als getuigen opgeroepen CID-chefs en opsporingsambtenaren zijn door het KTR doelbewust en met schending van de belangen van verdediging ten behoeve van het verhoor ter terechtzitting in hoger beroep getraind. Door de trainingen zijn de getuigen dusdanig beïnvloed dat zij ter terechtzitting niet vrijelijk hun verklaring hebben kunnen afleggen, zodat er geen sprake meer kan zijn van een "fair trial".

7. In maart 1998 zijn twee rechercheurs van het KTR naar Amerika gereisd om aldaar de reeds eerder gehoorde getuigen W., A., V.d.E. en S. opnieuw te horen, terwijl er op dat moment in de onderhavige zaak al hoger beroep was ingesteld en de verdediging en de procureur-generaal van die nadere verhoren niet op de hoogte waren gesteld.

8. In juni 1998 hebben CID-functionarissen in de Verenigde Staten personen, die in het onderzoek als getuigen waren gehoord en die naar verwachting ook in hoger beroep wederom gehoord zouden gaan worden, benaderd met de vraag of zij CID-matig informatie wilden verschaffen.

9. In verband met de twee voorgaande punten heeft de verdediging er nadrukkelijk op gewezen dat de officier van justitie Van Straelen heeft verklaard er geen moment aan gedacht te hebben dat de verdediging tijdig op de hoogte gesteld had moeten worden van de reis van de rechercheurs in maart 1998; de verdediging acht dit onvoorstelbaar. Voorts acht de verdediging het onvoorstelbaar dat Van Straelen niet heeft begrepen (zo niet heeft geweten) dat de gedetineerde personen die tijdens de CID-verkenningsexpeditie in juni 1998 in Amerika benaderd zouden worden de zogenaamde Amerika-getuigen waren. Met betrekking tot dit laatste heeft de verdediging in dat verband benadrukt dat de hoofdofficier Van Brummen (die verder van de zaak afstond dan de zaaksofficier Van Straelen) met wie de CID-officier Oldekamp samen met Van Straelen over die reis gesproken heeft, verklaard heeft dat híj dat wel meteen begrepen had. De gevolgtrekking moet zijn dat mr. Van Straelen toen hij door het hof als getuige werd gehoord niet overeenkomstig de waarheid heeft verklaard.

Door te handelen als hiervoor omschreven, alle handelingen ook in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft het openbaar ministerie doelbewust de rechter misleid en op grove wijze de belangen van verdediging geschaad, dan wel zodanig inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte dat er in deze geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces, waardoor het openbaar ministerie zijn recht op vervolging heeft verspeeld, aldus de raadsman.

II. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof blijft bij zijn eerder op enige terechtzitting gegeven (en in het proces-verbaal van die zitting opgenomen) oordelen omtrent voormelde verweren.

ad 1. Het gerechtelijk vooronderzoek tegen (onder anderen) verdachte U. in het IRT-Delta-onderzoek is op 14 december 1993 gesloten. Het onderzoeksmateriaal dat in het kader van dit gerechtelijk vooronderzoek is verzameld, is onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie te Haarlem verwijderd uit de computerbestanden en opgeslagen in een kluis.

Op 1 april 1994 heeft het openbaar ministerie te Haarlem Dros als teamleider van het KTR opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de vermeende organisatie waaraan leiding zou worden gegeven door E.L.M. U.. De onderzoeksopdracht vond zijn oorsprong in een kort daarvoor gehouden ressortsvergadering van het openbaar ministerie in het ressort Amsterdam. In het kader van deze opdracht heeft vervolgens een (nieuw) opsporingsonderzoek plaatsgevonden, resulterend in de vordering gerechtelijk vooronderzoek van 5 oktober 1994.

Het hof ziet, gelet onder meer op hetgeen daaromtrent in eerste aanleg en in hoger beroep door onder anderen Dros is verklaard, geen enkele aanwijzing dat het RADAR-onderzoek als een voortzetting van het IRT-Delta-onderzoek moet worden beschouwd. Deze stelling van de raadsman is dan ook geenszins aannemelijk geworden en evenmin diens stelling dat er een zekere verwevenheid tussen die onderzoeken bestaat. Dientengevolge kunnen de eerdere onderzoeken niet als pro-actief onderzoek van het RADAR-onderzoek worden bestempeld. Het hof handhaaft zijn beslissing dat het Delta-dossier niet (alsnog) moet worden overgelegd.

ad 2. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder anderen G.W. Dekker, L.F.P. van Rede, D. Schouten, J.D.A. Oosterhout, T.M.J. Hecke en F. van der Putten en voorts A.W.P. Augusteijn als getuigen ter zitting gehoord. Bij het verhoor van deze getuigen is gebleken dat de CID-informatie die eerstgenoemden (of hun voorgangers) aan Augusteijn hebben verstrekt afkomstig is van informanten die bij de desbetreffende RCID’s stonden ingeschreven, dat er geen sprake is geweest van U-bocht-constructies en dat deze informanten niet door de RCID Kennemerland of de RCID van het IRT werden gerund. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de gehoorde getuigen. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat in het Delta-onderzoek verkregen gegevens via een CID-circuit in het proces-verbaal van Augusteijn van 28 september 1994 (O-CID-007) terecht zijn gekomen. Daarop strandt het in dit opzicht door de verdediging gevoerde verweer. Aan de –noodzakelijk te beantwoorden- vragen of indien informatie uit het Delta-onderzoek in het Radar-onderzoek zou zijn terechtgekomen, die informatie is verkregen op een wijze die het openbaar ministerie niet ontvankelijk doet zijn en of die informatie voor het bewijs gebezigd kan worden, komt het hof niet toe. Besmetting is dus niet aannemelijk geworden. Van besmetting zou pas sprake kunnen zijn wanneer in het Delta-onderzoek verkregen informatie van daaruit in het Radar-onderzoek terecht is gekomen; en voor een mogelijk fataal effect zou het dan ook nog op onrechtmatige wijze moeten zijn verkregen in het Delta-onderzoek. Of sprake is van "besmetting"in de betekenis die de raadsman naar het hof begrijpt daaraan geeft, namelijk dat informatie die aan het IRT is aangeleverd later ook aan het KTR is verstrekt, acht het hof niet relevant, nu niet aannemelijk is geworden dat dit ooit door gebruik te maken van een U-bocht constructie of andere simulatie van oorspronkelijkheid is gebeurd.

ad 3. Naar het oordeel van het hof levert de CID-informatie, opgenomen in het proces-verbaal van 28 september 1994 van Augusteijn, jegens verdachte voldoende verdenking van (tenminste) een concreet strafbaar feit op, te weten deelname aan een criminele organisatie. Hieraan doet niet af dat deze informatie bij de onderscheiden RCID’s grotendeels is binnengekomen in de periode voor 1 april 1994. Deze informatie is, immers op één niet relevante uitzondering na, voor het eerst aan het KTR in de persoon van Augusteijn verstrekt in september 1994. De stelling van de raadsman dat eerder was vastgesteld dat op basis van deze informatie geen concrete gegevens of aanknopingspunten voorkwamen waaruit U. als verdachte zou kunnen worden bestempeld, mist derhalve feitelijke grondslag.

ad 4. Bruinsma-taps
a. Het proces-verbaal met nummer 2-INH.V0104, in de wettelijke vorm opgemaakt op 18 april 1997 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar 23040, houdt –zakelijk weergegeven- onder meer het volgende in.

Met betrekking tot de vraag of er sprake is van binnenlandse belastingplicht van E.L.M. U. heb ik, verbalisant, op 23 juni 1995 overleg gevoerd met de belastinginspecteur, belast met de aanslagregeling van E.L.M. U.. Hij deelde mee dat vaststelling van de woonplaats van een belastingplichtige ingevolge artikel 4 lid 1 Awr naar de omstandigheden dient te worden beoordeeld. Daarbij is van belang om vast te stellen waar het middelpunt van iemands levensbelangen ligt. Op grond van de in het kader van de aanslagregeling aan de Belastingdienst/Amsterdam/Ondernemingen-II overgelegde bescheiden en de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek tot dan toe ontstond het vermoeden dat E.L.M. U. in werkelijkheid nimmer Nederland metterwoon heeft verlaten en dat in verband daarmee de door hem ingevulde aangiftebiljetten opzettelijk onjuist gedaan zijn door het niet aangeven van zijn inkomen.

Het vermoeden omtrent het (opzettelijk) doen van onjuiste belastingaangiften heeft geleid tot een uitbreiding gerechtelijk vooronderzoek met artikel 68 Awr. Daartoe zijn twee processen-verbaal opgemaakt respectievelijk op 27 juni 1995 (voor de biljetten over de jaren 1990/91 tot met 1994/95) en 17 mei 1996 (voor het biljet over het jaar 1995/96).

Het proces-verbaal met nummer 2/A/AH.31, opgemaakt in de wettelijke op 27 juni 1995 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar 23040, houdt –zakelijk weergegeven- het volgende in.

Ten behoeve van de beoordeling van de plaats waar de levensbelangen van E.L.M. U. waren gelegen over de jaren 1990 en 1991 zijn aan de belastinginspecteur, belast met de aanslagregeling van E.L.M. U. gegevens voorgelegd uit tap- en observatieverslagen over deze jaren uit het zogenaamde Bruinsma onderzoek. Ten behoeve van de beoordeling over 1994 zijn soortgelijke gegevens voorgelegd uit het in dat jaar contra E.L.M. U. geopende gerechtelijke vooronderzoek. Op grond van die gegevens (het hof begrijpt: de door U. ingeleverde Aangiftebiljetten Inkomstenbelasting 1990, 1991 en 1994, tap- en observatieverslagen uit het Bruinsma-onderzoek en de tussen de Belastingdienst en door of namens U. gevoerde correspondentie), die bij vervolg-proces-verbaal worden geverbaliseerd, heeft voornoemde belastinginspecteur gesteld dat er over de jaren 1990, 1991 en 1994 sprake is van binnenlandse belastingplicht.

b. Uit de hiervoor aangehaalde processen-verbaal leidt het hof af dat de nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek van 2 augustus 1995 niet uitsluitend op de Bruinsma-taps steunde, maar dat andere gegevens, waaronder de observatieverslagen en de door verdachte ingeleverde aangiftebiljetten op zich reeds voldoende verdenking van opzettelijk handelen in strijd met artikel 68 AWR rechtvaardigden. Naar het oordeel van het hof kon de rechter-commissaris ook zonder de Bruinsma-taps overgaan tot de uitbreiding van het gerechtelijk vooronderzoek. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat al hetgeen na de uitbreiding van het gerechtelijk vooronderzoek aan bewijs is vergaard onrechtmatig is geweest, wordt dit door het hof verworpen. Het hof begrijpt dat de Bruinsma-taps aan de inspecteur zijn voorgelegd zodat hij deze kon betrekken bij zijn beoordeling van de vraag waar het middelpunt van de levensbelangen van U. in 1990 en 1991 lag. Het hof blijft bij zijn eerder (17 juli 1998) uitgesproken oordeel dat de Bruinsma-taps niet gebruikt hadden mogen worden en dus ook niet aan de inspecteur hadden mogen worden voorgelegd, nu deze vernietigd hadden behoren te zijn. Niet is evenwel gebleken of aannemelijk geworden dat deze taps met doelbewuste schending van of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte of van zijn recht op een eerlijk proces aan de inspecteur zijn voorgelegd. Het hof acht het gebruik van de Bruinsma-taps van onvoldoende belang om hieraan in deze strafzaak gevolgen te verbinden.

ad 5. Hoewel kan worden betoogd dat het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk vooronderzoek achteraf bezien niet veel bezwarende gegevens hebben opgeleverd, kan niet worden volgehouden dat de in de loop van die onderzoeken gebleken feiten en omstandigheden -gezien in het licht van de verdenking van op grote schaal gepleegde strafbare feiten- onvoldoende grond boden om telkens tot verlenging van de dwangmiddelen over te gaan. Het is juist dat dit gebruik lang heeft geduurd. Alle omstandigheden in aanmerking nemend is het hof niet van oordeel dat te dezen langduriger gebruik is gemaakt van dwangmiddelen dan als door de omstandigheden gerechtvaardigd kan worden beschouwd. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte dat er hierdoor in het licht van artikel 6 van het EVRM geen sprake meer zou zijn van een eerlijke berechting.

Ook de stelling van de raadsman dat later nieuwe bezwaren tegen verdachte aan het dossier zijn toegevoegd, kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, nu deze bezwaren eerst in de loop van het voortgezette onderzoek waren gebleken. Dat uiteindelijk onvoldoende bewijs bleek te bestaan voor een deel van de tenlastegelegde feiten doet hieraan niet af.

ad 6. getuigentraining
a. Op 28 september 1998 heeft het hof (onder meer) het volgende oordeel uitgesproken, met het voorbehoud dat het een voorlopig oordeel was, aangezien het hof nader onderzoek (getuigenverhoren) noodzakelijk achtte:

Gebleken is dat, nadat het hof op 17 juli 1998 had beslist dat enige chefs van regionale CID's en enige observanten (op verzoek van de verdediging) op de lijst van getuigen werden geplaatst, op initiatief van onder anderen de chef CID van het KTR Van de Streek aan deze getuigen is aangeboden op het bureau van het KTR een zogenaamde rechtbanktraining te volgen. De getuigen hebben aan die uitnodiging gehoor gegeven. De training is telkens gegeven door de bedrijfspsycholoog drs H. Verhoef. Bij de training van de CID-chefs waren verder aanwezig Van de Streek en ongeveer vijf CID-runners van het KTR; bij de training van de observanten was naast Verhoef de chef van het observatieteam van het KTR aanwezig.

Verhoef heeft voor de training van elke getuige een vragenlijst opgesteld, dit mede aan de hand van (een) door de betrokkene opgemaakt(e) proces(sen)-verbaal, dan wel poces(sen)-verbaal waarin observaties van de getuige zijn gerelateerd.

Het hof gaat er vanuit dat bij het entameren van de training niets anders heeft voorgezeten dan de door (onder anderen) Verhoef meegedeelde drievoudige doelstelling, te weten:

a. bijdragen aan de stressbestendigheid, mede om te voorkomen dat de getuige in paniek of verwarring zou raken als in snelle opeenvolging een groot aantal vragen op hem zou worden afgevuurd;

b. aanwijzingen geven over gedrag en houding tijdens het verhoor;

c. opfrissen van dossierkennis (noodzakelijk geacht vanwege de omvang van de zaak), mede ter wille van het zelfvertrouwen.

Op deze meervoudige doelstelling valt op zichzelf niets aan te merken.

Het hof is van oordeel dat (uit een oogpunt van een eerlijk proces) het in het algemeen gesproken niet ontoelaatbaar is dat op initiatief van leidinggevenden bij de politie een cursus/training als hier aan de orde, met de hiervoor onder a en b genoemde doelstellingen, wordt aangeboden aan de politie-ambtenaren, van wie bekend is dat zij ter terechtzitting of bij een rechter-commissaris opgeroepen zijn of zullen worden. Het aansporen en het gelegenheid geven tot het ophalen van de dossierkennis voorafgaande aan het verhoor is evenmin bedenkelijk.

Bijzondere aspecten van dit geval zijn:

- het feit dat het om getuigen à décharge gaat;

- het gebruik van de casus van deze zaak als oefenstof;

- het feit dat de training is gegeven door en bij het KTR;

- de aanwezigheid van CID-rechercheurs van het KTR bij de training van de externe CID-chefs.

Het hof deelt niet het (naar het hof begrijpt) door de verdediging aangehangen standpunt dat zodra politie-ambtenaren door de verdediging als getuigen zijn opgegeven, respectievelijk op haar verzoek op de lijst van getuigen zijn geplaatst, (ambtelijk) contact met deze getuigen met betrekking tot de zaak waarover het gaat niet meer is toegelaten.

Dat de door Verhoef gestelde vragen telkens waren ontleend aan en (vrijwel uitsluitend) betrekking hadden op juist de materie waarover -naar kennelijk ook door Verhoef verwacht- de getuige ter terechtzitting zou worden gehoord, acht het hof onverstandig. Voor geen van de hiervoor vermelde drie doelstellingen was dat noodzakelijk; de getuigen zouden hun geheugen ook zeer wel op eigen houtje aan de hand van de (oude) stukken hebben kunnen opfrissen. Onverstandig, omdat daardoor de schijn is gewekt dat het tevens de bedoeling was te voorkomen dat de getuigen zouden verklaren in een door KTR-functionarissen niet gewenste zin.

Die schijn is versterkt doordat de trainingsgesprekken met de externe CID-chefs op uitnodiging van het KTR en in een KTR-setting hebben plaatsgevonden, met nota bene -in elk geval naar de schijn- belanghebbende KTR-leden als toehoorder en/of klankbord. Dit levert een drievoudige onderstreping van het woord oordeel "onverstandig" op.

Dit laatste geldt minder ten aanzien van de trainingsgesprekken met de KTR-observanten. Dat waren gesprekken met het eigen personeel en het is normaal te achten dat die gesprekken werden gehouden in de eigen omgeving. Niettemin was het ook hier verstandiger geweest het opfrissen van het geheugen aan de getuigen zelf over te laten.

Het oordeel van de raadslieden dat ten gevolge van de gehouden trainingen sprake is van een, zo niet doelbewuste schending van de belangen van de verdediging, dan toch een schending als gevolg van grove veronachtzaming van die belangen, deelt het hof niet.

Beslissend acht het hof dat, zoals uit het uitgebreide door het hof ingestelde onderzoek is gebleken, al deze handelingen geen wezenlijke schending van die belangen tot resultaat hebben gehad doordat niet overeenkomstig de waarheid is verklaard.

Opgemerkt dient te worden dat -al hetgeen thans bekend is nader beschouwd- veel ruimte voor een wezenlijke beïnvloeding er niet was; gelet op alles wat al in processen-verbaal die tot het dossier behoren was vastgelegd en gelet op hetgeen uit hoofde van bronbescherming terecht aan de openbaarheid onttrokken dient te blijven, was er voor de getuigen weinig ruimte om te schipperen met de waarheid.

b. Vervolgens heeft het hof getuigen, onder wie Verhoef en Van de Streek, (wederom) gehoord. Ook na deze verhoren blijft het hof bij het eerder (voorlopig) overwogene en derhalve bij het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de training tot gevolg heeft gehad dat de getrainde getuigen de hun ter zitting gestelde vragen niet naar behoren en naar waarheid hebben beantwoord. Evenmin is aannemelijk geworden dat geprobeerd is de getuigen te beïnvloeden ten detrimente van het waarheidsgehalte van hun verklaring en/of van de mogelijkheid van een behoorlijk verhoor van hen.

Hoewel het beter ware geweest als de getuigen zich op een andere manier op hun verhoor hadden voorbereid dan is gebeurd, is het niet zo dat de verdediging daardoor wezenlijk in haar belangen is geschaad.

ad 7. reis van 2 rechercheurs in maart 1998

a. Kort gezegd gaat het hier om het volgende:
Nadat door de verdachte hoger beroep was ingesteld tegen het op 26 januari 1998 uitgesproken vonnis waarin ook een in de telastelegging uitvoeriger vermeld vervoer (c.a.) van hashish per Great Alexzander en Orcadia bewezen was verklaard, namelijk in maart 1998, zijn twee rechercheurs van het KTR waaronder Warmerdam naar Amerika gereisd en zij hebben daar de reeds eerder (ook) als getuige gehoorde A., V. d. E., S. en W. gehoord die bij onder meer dat vervoer (c.a.) betrokken zouden zijn geweest. Dit is gebeurd met medeweten van de zaaks-officier Van Straelen en is noch tevoren, noch naderhand aan de verdediging meegedeeld, laat staan dat deze was uitgenodigd de verhoren bij te wonen. De procureur-generaal is evenmin hierover geïnformeerd.

b. Het verhoor van de genoemde getuigen had in geen geval buiten de verdediging om mogen gebeuren. Het hof is echter niet van oordeel dat hier (een opzettelijke) grove schending van het belang van de verdediging aannemelijk is geworden. Wel is door onachtzaamheid een verdedigingsbelang geschaad. Aangezien het hof, anders dan de verdediging, voorts van oordeel is dat te dezen herstel in beginsel mogelijk is, doordat de vier getuigen opnieuw door een rechter-commissaris worden gehoord in aanwezigheid van de raadslieden, waarbij ook de verklaringen die in maart 1998 zijn afgelegd in het verhoor kunnen worden betrokken (zoals ook is geschied), acht het hof de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring hier niet geboden.

c. Door de raadslieden is beklemtoond dat herstel niet meer mogelijk is omdat de getuigen, nadat zij hun verklaring hebben afgelegd in het (geheimgehouden) verhoor van maart 1998, niet meer onbevangen (anders) zouden kunnen verklaren. Hierover oordeelt het hof anders. Het gaat immers om getuigen die al vóór maart 1998 ettelijke malen in verband met vorenbedoeld hash-transport zijn gehoord, zowel als verdachte als ook als getuige; niet aannemelijk is dat zij zich opeens bevangen zouden gaan voelen doordat zij in dat ene verhoor in maart tegenover opsporingsambtenaren nog hebben verklaard.

d. De raadsman van verdachte heeft afgezien van het bijwonen van het nader verhoor van deze getuigen door de rechter-commissaris. Dit is voor zijn rekening, nu hij tot het bijwonen van een dergelijk verhoor uitdrukkelijk is uitgenodigd.

ad 8. de CID-reis in juni 1998
a. Het hof gaat, mede gelet op de ter terechtzitting van het hof afgelegde getuigenverklaringen, uit van de volgende gang van zaken:

Na een gesprek met KTR-rechercheur Warmerdam (die, zoals onder ad 7 weergegeven, in maart 1998 de in Amerika gedetineerde A., V.d.E., S. en W. in de RADAR-zaak als getuigen had gehoord) is bij Van de Streek, chef CID van het KTR, de gedachte opgekomen dat, aangezien aangenomen werd dat deze getuigen niet het achterste van hun tong hadden laten zien (lees: wel wat meer zouden kunnen verklaren dan zij tot dusver hadden gedaan), het opportuun kon zijn te trachten CID-matig informatie van deze getuigen te verwerven. Hij heeft deze zienswijze met de CID-officier mr G. Oldekamp besproken. Deze schaarde zich achter het idee en heeft in het gezamenlijk overleg van hem met de hoofd-officier van justitie Van Brummen en de officier van justitie Van Straelen, zaaksofficier in deze zaak, meegedeeld dat drie in Amerika gedetineerde personen wellicht CID-matig informatie zouden kunnen verstrekken die van belang kon zijn voor (het gedeelte, kort gezegd, de Great Alexzander van) de Radar-zaak. Daarbij heeft hij de namen Burns en Klindt genoemd. Hij heeft toestemming gevraagd voor een dienstreis van hem en Van de Streek met het doel te onderzoeken of die personen bereid waren informatie te verstrekken. Van Brummen heeft een door Van de Streek uitgetikte en op 5 juni 1998 gedateerde reisopdracht ondertekend. Oldekamp en Van de Streek zijn onverrichter zake teruggekeerd.

b. Geen geschreven of ongeschreven regel van geldend recht (betreffende de bescherming van belangen van een verdachte in een in welke instantie ook aanhangige strafzaak) verzet zich ertegen dat in de loop van het strafgeding en zonder dat zulks aan de verdediging wordt meegedeeld CID-functionarissen als getuige in het voorbereidend onderzoek gehoorde personen benaderen met de vraag of zij CID-matig informatie willen verschaffen.

De vraag of aan de belangen van de verdachte/verdediging tekort is of kan zijn gedaan is in beginsel alleen relevant voor zover het gaat om de wijze waarop vervolgens met de eventueel verkregen informatie is gehandeld.

c. Tijdens het verhoor van genoemde officieren van justitie als getuige ter zitting van het hof is telkens ter sprake gekomen hoe gehandeld zou (moeten) zijn in het (zich niet voorgedaan hebbende) geval dat een of meer van die personen meegedeeld zou(den) hebben bereid te zijn informatie aan CID-functionarissen te verschaffen, of dat zij zelfs terstond over de RADAR-zaak (en dan in het bijzonder over U. en diens -pretense- organisatie) zouden zijn gaan verklaren.

De officieren hebben daarover niet gelijkluidend verklaard.

d. Naar de regels van de kunst zou, in het geval een van de bedoelde personen te kennen had gegeven dat hij wel informatie wilde verschaffen, het als volgt zijn gegaan.

Oldekamp en Van de Streek zouden het gesprek hebben afgebroken en zouden vervolgens een (koppel) runner(s) naar die persoon hebben gestuurd.

In het geval die persoon onmiddellijk (spontaan) een verklaring zou hebben afgelegd, zou er niets aan in de weg hebben gestaan dat Oldekamp/Van der Streek deze verklaring hadden opgenomen. Indien de persoon te kennen zou hebben gegeven dat hij als getuige onder naam zou willen verklaren, dan hadden Oldekamp/Van de Streek niet die verklaring, maar slechts de mededeling dat de persoon "tactisch" wilde verklaren op de voor CID-informatie gebruikelijke wijze aan het tactisch team kenbaar gemaakt, waarna tactische rechercheurs -zonder enige kennis omtrent de inhoud van hetgeen de persoon zou kunnen verklaren- die persoon konden gaan horen, uiteraard na de verdediging daarvan op de hoogte te hebben gesteld en te hebben uitgenodigd bij het verhoor aanwezig te zijn; een en ander in overleg met en na instemming van de procureur-generaal die de zaak in hoger beroep behandelt.

e. De omstandigheid dat Van Straelen, Oldekamp en ook Van de Streek als getuigen een (enigszins) ander scenario hebben geschetst voor het hypothetische geval dat de bedoelde personen nog iets zouden hebben willen zeggen, acht het hof in het kader van het niet-ontvankelijkheidsverweer alleen in zoverre relevant dat bezien moet worden of daarmee steun wordt gegeven aan de stelling dat een of meer van deze functionarissen er niet voor terugdeinst/ deinzen al dan niet stelselmatig en bewust af te doen aan belangen van de verdediging. Dit laatste is niet aannemelijk geworden.

f. Het hof is van oordeel dat door de juni-expeditie geen beginselen van behoorlijk strafprocesrecht, zoals het beginsel dat de verdachte recht heeft op een eerlijk proces, zijn geschaad.

ad 9. wetenschap van Van Straelen
a. Het hof gaat er van uit dat bij het gesprek van de officieren (en eventuele andere gesprekken over die reis) de gouden regel dat een CID-officier geen namen noemt en dat die hem ook niet gevraagd worden, is nageleefd.

Overigens is het, gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt met betrekking tot de CID-expeditie naar Amerika, nauwelijks relevant of Van Straelen wel of niet begrepen heeft om welke personen het ging.

b. Zoals ook op 28 september 1998 uitgesproken, heeft het bij het hof verbazing gewekt dat mr. Van Straelen er niet aan gedacht heeft dat de verdediging in kennis gesteld moest worden van de maart-reis en uitgenodigd moest worden, alsmede dat hij niet begrepen heeft om welke getuigen het in juni 1998 ging. Het hof blijft bij zijn oordeel dat mr. Van Straelen niet (al dan niet opzettelijk) daaromtrent in strijd met de waarheid heeft verklaard.

III. Met betrekking tot andere in eerste aanleg aangevoerde gronden voor het verweer strekkende tot niet ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie, waarnaar de raadsman bij pleidooi in hoger beroep (al dan niet uitdrukkelijk) heeft verwezen, verwijst het hof naar de in het vonnis waarvan beroep onder 2.2.1. tot en met 2.2.11 vermelde overwegingen en oordelen van de rechtbank die het hof hier overneemt en tot de zijne maakt.

IV. Het hof heeft op 28 september 1998 laten blijken dat het aan het einde van de rit alle aannemelijk geworden fouten van de zijde van het openbaar ministerie en/of het KTR nader zou wegen, en zou beoordelen welke gevolgen daaraan verbonden zouden moeten worden.

Hierbij stelt het hof voorop dat gebleken is dat bij het in het voorjaar van 1994 aangevangen onderzoek (waaraan overigens een zekere verbetenheid niet kan worden ontzegd) fouten zijn gemaakt, sommige van ernstige aard, namelijk de reis in maart 1998 naar Amerika en het gebruik van de Bruinsma-taps. Niet aannemelijk is geworden dat opzettelijk of door onachtzaamheid zozeer (en onherstelbaar) tekort is gedaan aan de belangen van de verdediging of dat de grenzen van het door een fair trial verlangd fatsoen zodanig zijn overschreden dat een sanctie in de vorm van het niet ontvankelijkverklaren van het openbaar ministerie of in enige andere vorm passend en geboden is.

V. Dat geldt voor alle in beide instanties aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, deze op zichzelf en gezamenlijk en in onderling verband beschouwd.

VI. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen, kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de eerste rechter.

De bewijslevering
Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde niet bewezen. Er zijn sterke aanwijzingen voorhanden dat verdachte en zijn medeverdachten met enigen van de in de tenlastelegging met name genoemde anderen deel uitmaakten van een samenwerkingsverband dat zich bezighield met zaken die het daglicht niet konden velen. Naar het oordeel van het hof is er geen andere verklaring voor het feit dat verdachte, zijn medeverdachten en de hiervoor bedoelde anderen het kennelijk noodzakelijk vonden om –onder meer- het afluisteren en begrijpen door derden van door hen (onderling) gevoerde telefoongesprekken te belemmeren door gebruik te maken van wisselende telefoonaansluitingen en verhullende taal. Er viel blijkbaar iets te verbergen. In dit verband verwijst het hof naar de door de rechtbank terzake gebezigde bewijsmiddelen.

Bij gebrek aan wettig bewijs kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte deel uitmaakte van een samenwerkingsverband dat het plegen van een of meer van de in de tenlastelegging onder 1 opgesomde misdrijven als oogmerk had. Voor enige is er geen enkel concreet bewijs. Voor andere is er wel iets, maar om de twijfel te overwinnen of dat aangevuld of in verband gebracht mag worden met andere voorhanden gegevens dient gebruik gemaakt te worden van op speculatie rustende redeneringen. Dat kan geen wettig bewijs opleveren.

Ook voor het onder 6 tenlastegelegde is geen voldoende bewijs. Van beide feiten moet verdachte worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 9, 10, 11 en 12 is tenlastegelegd, met dien verstande dat

ten aanzien van feit 9

hij op 28 mei 1993 te Amsterdam opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hemzelf over het jaar 1990 en de vermogensbelasting voor hemzelf over het jaar 1991 onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk op een bij de Inspecteur der Belastingen te Amsterdam ingeleverd en door hem ondertekend aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting over het jaar 1990 en de vermogensbelasting over het jaar 1991 in strijd met de waarheid opgegeven dat hij gedurende een deel van het bedoelde belastingtijdvak niet in Nederland woonachtig zou zijn geweest en dat zijn belastbaar inkomen in het jaar 1990 zou zijn geweest ¦ 178.330,-, zulks terwijl hij wel gedurende het hele jaar in Nederland woonachtig en belastingplichtig was en het belastbare bedrag hoger was, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

ten aanzien van feit 10

hij op 30 mei 1994 te Amsterdam telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hemzelf over het jaar 1991 en de vermogensbelasting voor hemzelf over het jaar 1992 en een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hemzelf over het jaar 1992 en de vermogensbelasting voor hemzelf over het jaar 1993 en een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hemzelf over het jaar 1993 en de vermogensbelasting voor hemzelf over het jaar 1994, onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op die bij de Inspecteur der Belastingen te Amsterdam ingeleverde en door hem ondertekende aangiftebiljetten in strijd met de waarheid opgegeven dat hij gedurende de telkens in die aangiftebiljetten bedoelde tijdvakken niet in Nederland woonachtig zou zijn geweest en dat zijn belastbaar inkomen over die tijdvakken nihil zou zijn geweest, zulks terwijl hij telkens wel in Nederland woonachtig en belastingplichtig was en het belastbare bedrag telkens hoger was, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

ten aanzien van feit 11

hij op 28 april 1995 te Amsterdam opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hemzelf over het jaar 1994 en de vermogensbelasting voor hemzelf over het jaar 1995, onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk op dat bij de Inspecteur der Belastingen te Amsterdam ingeleverde en door hem ondertekende aangiftebiljet in strijd met de waarheid opgegeven dat hij gedurende het in dat aangiftebiljet bedoelde tijdvak niet in Nederland woonachtig zou zijn geweest en dat zijn belastbaar inkomen in 1994 nihil zou zijn geweest, zulks terwijl hij wel in Nederland woonachtig en belastingplichtig was en het belastbare bedrag hoger was, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

ten aanzien van feit 12

hij op 1 april 1996 te Amsterdam opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting, onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk op een bij de Inspecteur der Belastingen te Amsterdam ingeleverd en door hem ondertekend aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting over het jaar 1995 en de vermogensbelasting over het jaar 1996 in strijd met de waarheid opgegeven dat hij gedurende het jaar 1995 niet in Nederland woonachtig en belastingplichtig zou zijn geweest en dat zijn belastbaar inkomen over het jaar 1995 nihil zou zijn geweest, zulks terwijl hij wel in Nederland woonachtig en belastingplichtig was en het belastbare bedrag hoger was, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven.

Hetgeen onder 9, 10, 11 en 12 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen
p.m.

Nadere bewijsoverwegingen

De bewijsmiddelen worden, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd voor het bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De inhoud van de onder 3, 9, 18, 19, 21, 23 25, 26, 28, 29, 30, 31 en 32 genoemde geschriften wordt slechts tot bewijs gebezigd in verband met de overige bewijsmiddelen.

Uit het als bewijsmiddel 16 opgenomen proces-verbaal volgt dat verdachte in de hierna vermelde jaren tenminste het daarbij vermelde aantal dagen in Nederland is geweest. Uit de mededeling van verbalisanten dat –naar het hof begrijpt- eerst in de laatste jaren het vaststellen van verdachtes aanwezigheid hier te lande vergemakkelijkt werd door de toepassing van enige opsporingsmiddelen als taps en observaties, leidt het hof af dat de discrepantie tussen de aantallen dagen voor, respectievelijk vanaf 1994 mede daarin haar oorzaak vindt, zodat gevoeglijk kan worden aangenomen (zoals het hof wil doen) dat de aantallen in de jaren 1990 t/m 1993 naar alle waarschijnlijkheid kleiner zijn dan met de werkelijkheid overeenstemt.

in 1990 58 dagen

in 1991 57 dagen

in 1992 36 dagen

in 1993 77 dagen

in 1994 146 dagen

in 1995 196 dagen

Op grond van de in de vorenstaande bewijsmiddelen vermelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat, anders dan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, hij in de jaren 1990 t/m 1996 wel in Nederland woonachtig en wel belastingplichtig was.

Gegeven hetgeen in de hiervoor vermelde bewijsmiddelen is weergegeven, waaronder:

verdachtes eigen verklaring ter terechtzitting dat hij goed de kost verdiende, de gedurende de hiervoor vermelde jaren door verdachte gemaakte vele vliegreizen, de door verdachte gebruikte en in gebruik gegeven auto's en betaalde stallinggelden, de woonkosten, de kosten van levensonderhoud en de kosten van de verbouwing aan de woning in de Nicolaas Maesstraat te Amsterdam, concludeert het hof dat verdachte moet hebben beschikt over navenante inkomsten en constateert het hof dat verdachte in strijd met de waarheid op de hiervoor vermelde aangiftebiljetten heeft opgegeven dat zijn belastbare inkomen in 1990 ¦ 178.330,-- en in de jaren 1991 tot en met 1995 nihil is geweest.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het gevolg van een te lage opgave van het belastbaar inkomen kan zijn dat te weinig belasting kon worden geheven.

In zijn laatste woord heeft verdachte (het hof begrijpt: met betrekking tot de jaren 1990 en 1991) aangevoerd dat hem ten onrechte wordt verweten dat hij "in aangiftebiljetten in strijd met de waarheid heeft opgegeven dat hij (voor de betrokken tijdvakken) niet in Nederland woonachtig en/of belastingplichtig is geweest". Een opgave met die inhoud zegt verdachte niet te hebben gedaan.

Het hof stelt vast dat verdachte over het jaar 1990 een belastbaar inkomen van ¦ 178.330,- heeft opgegeven en dat hij erkent dat zijn (belastbaar) inkomen dat jaar hoger is geweest. Over 1991 gaf verdachte een belastbaar inkomen op van ¦ nihil, terwijl hij erkent dat hij in dat jaar wel (belastbaar) inkomen heeft genoten.

Het hof stelt tevens vast dat de reden voor deze opgaven is te lezen in de brieven die door verdachte en/of zijn belastingadviseur, tezamen met de aangiften, aan de Belastingdienst werden verzonden. De brieven moeten geacht worden deel uit te maken van de desbetreffende aangiften nu de aangiften met die brieven werden meegezonden en in de brieven een verklaring werd gegeven voor een in de aangiften gedane opgave.

In de brief van 28 mei 1993, die betrekking heeft op de aangiften 1990, 1991 en 1992, staat onder meer dat verdachte sedert november 1989 in Luxemburg woont en vanaf 11 mei 1990 in Nederland is uitgeschreven. Uit de brief van 30 mei 1994, die werd meegezonden met de aangiften 1991, 1992 en 1993 citeert het hof:

"De vermelding van zowel inkomen als vermogen van 0,0 hangt samen met de t.o.v. Nederland feitelijke afwezigheid van belastingplichtige in onderhavige jaren ...."

Gezien de samenhang tussen het opgegeven belastbare inkomen en de daarvoor in de begeleidende brieven gegeven reden, kunnen de desbetreffende aangiften van verdachte niet anders begrepen worden dan dat verdachte daarin verklaart dat hij niet in Nederland woonachtig is en daarom niet belastingplichtig is. Dit is, zo volgt uit de bewijsmiddelen, in strijd met de waarheid.

Voorts is door verdachte, in zijn laatste woord, en door zijn raadsman het verweer gevoerd dat, indien de opgave al onjuist of onvolledig zou zijn, het opzet heeft ontbroken. Verdachte heeft er daarbij op gewezen dat indien, naar zijn mening ten onrechte, al geoordeeld zou kunnen worden dat hij in Nederland woonachtig is gebleven, er in ieder geval sprake is van een ingewikkelde fiscale discussie over de vraag waar hij zijn "middelpunt van levensbelangen" gehad heeft, in welke discussie hij (minst genomen) een verdedigbaar standpunt inneemt. In zo'n situatie kan, zo begrijpt het hof de stellingen van de verdachte, van opzet beslist geen sprake zijn.

Ten eerste moet worden vastgesteld dat de opmerking van verdachte zich beperkt tot de aangiften die betrekking hebben op de periode dat hij in Luxemburg verbleef. Nu vast staat dat verdachte Luxemburg medio 1992 heeft verlaten en nu ervan uitgegaan mag worden dat hij ook in de tweede helft van 1992 inkomsten heeft genoten die hij had moeten opgeven, begrijpt het hof dat verdachte zijn opzet slechts ontkent ten aanzien van feit 9 en het eerste gedeelte van feit 10.

Gesteld noch gebleken is dat de ingewikkelde fiscale beschouwingen, die verdachte in de voor dit hof gevoerde procedure en in de onderhavige strafprocedure naar voren brengt en doet brengen, indertijd aan zijn aangiften (mede) ten grondslag hebben gelegen. De hiervoor geciteerde (onjuist gebleken) zinsnede omtrent zijn "feitelijke afwezigheid" wijst op het tegendeel. Ook het gegeven dat verdachte in 1992 vanuit Luxemburg naar Frankrijk en daarna naar Suriname is gegaan (landen ten aanzien waarvan de door verdachte aangevoerde fiscale beschouwingen kennelijk niet gelden), ondersteunt eerder de conclusie dat de nu door hem aangevoerde fiscale overwegingen om in Luxemburg te gaan wonen, ten tijde van het ondertekenen van de aangiften geen rol van betekenis hebben gespeeld.

Het hof acht daarom, onder verwijzing naar de bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte ook ten aanzien van feit 9 en feit 10, eerste gedeelte, het vereiste opzet heeft gehad. Voor zover overigens ten aanzien van de belastingdelicten de opzet wordt ontkend -in dit verband noemt het hof nog de verwijzing van de raadsman van verdachte op de vele omstandigheden die bij de beoordeling van het begrip 'woonplaats' in artikel 4 AWR van betekenis zijn- verwijst het hof naar de bewijsmiddelen, waaruit volgt dat de opgaven van verdachte onjuist waren en dat hij zich daarvan bewust moet zijn geweest.

De bewijsverweren

Bruinsmataps
Voor zover verdachte zich erop heeft beroepen dat de zogenaamde "Bruinsma-taps" niet mogen worden gebezigd voor het bewijs van de belastingdelicten merkt het hof op dat de taps niet zijn opgenomen onder de bewijsmiddelen. Daaraan zij toegevoegd: voorts is niet gebleken dat de bewijsmiddelen die wèl worden gebruikt, rechtstreeks dan wel in belangrijke mate het gevolg zijn van het gebruik van de taps bij de nadere vordering GVO van 5 augustus 1995.

Het "onrechtmatig verkregen bewijsverweer met betrekking tot de privacy gedurende de jaren 1994, 1995 en 1996 zijnde de perioden waarbinnen het gerechtelijk vooronderzoek voortgang vond" (pleitaantekeningen eerste aanleg, 18 december 1997, onder 4.3) stuit reeds af op hetgeen onder 5 bij het niet ontvankelijkheidsverweer werd overwogen. Daaruit volgt dat het hof de voortgang van het gerechtelijk vooronderzoek rechtmatig oordeelt.

De strafbaarheid van de feiten
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de volgende misdrijven op:

ten aanzien van de feiten 9, 10, 11 en 12

opzettelijk een bij de belastingwet voorgeschreven aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft gedurende een aantal jaren stelselmatig de belasting ontdoken, waardoor hij de Nederlandse Staat ernstig heeft benadeeld.

De procureur-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat verdachte tot dezelfde gevangenisstraf van zes jaar wordt veroordeeld als door de rechtbank bij een gelijkluidende bewezenverklaring is opgelegd. Het hof acht, zoals hiervoor reeds is overwogen, de criminele organisatie niet bewezen. Een gevangenisstraf van achttien maanden is naar het oordeel van het hof alleszins passende sanctie op het bewezenverklaarde.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: een wapen en een hoeveelheid munitie (uit dashboardkastje BB-64-SV), dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane misdrijven zijn aangetroffen en deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 68 (oud) van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

De beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen, en doet opnieuw recht;

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 9, 10, 11 en 12 ten laste gelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 9, 10, 11 en 12 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van ACHTTIEN MAANDEN;

- bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in uitleveringsdetentie en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

- verklaart onttrokken aan het verkeer: een wapen en munitie (uit dashboardkastje BB-64-SV);

gelast de teruggave aan verdachte van:
een personenauto (FP-SN-18) Porsche 911;
een personenauto (DE-61-15) Mercedes 230 SL;
een personenauto (NR-57-YK) Triumph;
een personenauto, Porsche 911, met handelaarskenteken 46-16-HA
- gelast de teruggave aan Autobedrijf Van Asselt Naarden B.V., 1411 HJ Naarden, Amersfoortsestraatweg 108 van :

een personenauto (YT-48-SY) Fiat 500;
een personenauto (PB-LZ-80) Fiat Cinquecento;
- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

een personenauto (VT-34-KD) Volkswagen, zijnde een bus;
een personenauto (DS-PX-32) Fiat Panda;
een boottrailer (VT-34-KD);
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte .

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Vermeulen, Van Hartingsveldt en Visser, in tegenwoordigheid van mr. Tulp en Nagtegaal als griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 maart 1999.

PERSBERICHT

GERECHTSHOF AMSTERDAM

UITSPRAAK IN DE ZAAK E.L.M.U. EN VIER MEDE-VERDACHTEN
De vijfde strafkamer van het hof heeft op 29 maart 1999 alle vijf verdachten vrijgesproken van de aan hen tenlastegelegde deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven met betrekking tot hash-handel (art 140 Wetboek van Strafrecht).

Wel zijn er sterke aanwijzingen dat verdachten deel uitmaakten van een samenwerkingsverband dat zich bezig hield met zaken die het daglicht niet kunnen velen. Er is geen andere verklaring voor de kennelijk door verdachten gevoelde noodzaak om - onder meer - het afluisteren en begrijpen door derden van de door hen gevoerde telefoongesprekken te belemmeren door wisselende telefoonaansluitingen en verhullende taal te gebruiken.

Er is evenwel onvoldoende wettig bewijs dat dat samenwerkingsverband tot doel had de in de tenlastelegging omschreven misdrijven te plegen.

E.L.M.U. is ter zake van wel bewezen belastingfraude veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden. De verdachten C.T.C. en J.E.F. zijn veroordeeld tot respectievelijk twee en één jaar, ieder wegens een op zichzelf staande drugstransactie van relatief beperkte omvang. De verdachten L.H.C. en N.M.K. zijn geheel vrijgesproken.

Het hof heeft alle verweren met de strekking dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard, verworpen.

In de loop van de procedure in hoger beroep is gebleken dat enige door het hof gehoorde getuigen (CID-chefs en observanten) een zogenaamde rechtbank-training hebben gevolgd.

Die training was erop gericht om bij te dragen aan de stress-bestendigheid, mede om te voorkomen dat de getuige in paniek of verwarring zou raken als in snelle opeenvolging een groot aantal vragen door de advocaten op hem zou worden afgevuurd. Daarnaast werden aanwijzingen gegeven over gedrag en houding tijdens het verhoor en diende de training ertoe de dossierkennis op te frissen, mede ter wille van het zelfvertrouwen. Op deze drievoudige doelstelling valt niets aan te merken, aldus het hof.

Het feit evenwel, dat de tijdens de training gestelde vragen telkens waren ontleend aan en vrijwel uitsluitend betrekking hadden op de materie waarover de getuige ter terechtzitting zou worden gehoord, acht het hof onverstandig, omdat daardoor de schijn is gewekt dat het tevens de bedoeling was de getuigen te laten verklaren in een voor de politie (KTR) gewenste zin. Die schijn is versterkt doordat de trainingsgesprekken met de CID-chefs op uitnodiging van het KTR en in een KTR-setting hebben plaatsgevonden, met nota bene -in elk geval naar de schijn- belanghebbende KTR-leden als toehoorder en/of klankbord.

Het hof heeft geoordeeld dat deze (op onverstandige wijze uitgevoerde) trainingen geen schending opleveren van de rechten van de verdachten, omdat niet aannemelijk is geworden dat de getrainde getuigen de hun ter zitting gestelde vragen niet naar behoren en naar waarheid hebben beantwoord. Evenmin is aannemelijk geworden dat geprobeerd is de getuigen te benvloeden ten detrimente van het waarheidsgehalte van hun verklaring en/of de mogelijkheid van een behoorlijk verhoor van hen.